Body parts

Sommige zwerfie-rapers zeggen dat zij alle zwerfafval vreemd vinden. Daar zit natuurlijk wat in, maar je hebt altijd baas boven baas. Zelf vond ik een paar maanden geleden bijvoorbeeld een auto. Ja echt, een auto. Die was schijnbaar gestolen en in het struikgewas van de Oude Maas gedumpt. Het krantje De Havenloods las de tweet over deze bijzondere #zwerfie en publiceerde subiet de foto.

Maar het kan nog veel gekker. Of moet ik zeggen: meer luguber. Zo zag ik drie jaar terug een long drijven in het water van de Schie, een paar meter vanaf de waterkant. Het leek mij een menselijke long. De vondst leidde tot vertwijfeling en de gedachte dat ik zelf gek was geworden en de zaken niet helder zag. Na enig aarzelen en overleg met mijn vriendin belde ik toch maar de politie. De medewerker aan de telefoon dacht aanvankelijk dat ze me niet goed verstond. Na synoniemen te hebben genoemd, waaronder ‘orgaan’, drong de ernst van de melding tot de telefoniste door.

Na tien minuten arriveerde de eerste politieauto met twee agenten, een dame en een heer. De dame vertelde dat ze in haar carrière al veel had gezien én dat dit stuk vlees naar haar idee inderdaad menselijk was. Tijdens het nader bestuderen van de long ontdekte de heer nog méér organisch materiaal, een stukje verderop. Het tweetal besloot om de boel te gaan afzetten met lint. Niet veel later arriveerde ook een helikopter in de lucht en een boot van de politie. Het scheepvaartverkeer werd stilgelegd. Niet vreemd, want kort daarvoor was op ongeveer dezelfde plek een drijvend lichaam aangetroffen. In één geheel, dat wel.

Om een lang verhaal kort te maken. De politiearts werd opgepiept om het weefsel te onderzoeken. Aan het einde van de middag, uren later, kwam de climax. Slachtafval. Schaamte overviel mij. Zo’n enorme politieoperatie voor een paar hompen slachtafval. De politie verzekerde mij dat mijn melding desondanks zeer gewaardeerd was en ik een volgende keer zeker niet moet aarzelen om weer te bellen.

Afgelopen nacht brak dat moment aan, drie jaar na dato. Op mijn laatste uitlaatronde vulde ik nog even vluchtig een zak zwerfafval langs de Schie. En daar, op de rivierkeien, zag ik een dichtgeknoopte boodschappentas. Op zichzelf niet vreemd. Je vindt wel vaker een tas gevuld met verpakkingsmateriaal of bierblikjes; restanten van een bacchanaal op een bankje. Maar het gewicht was enorm. Ik kreeg de plastic tas met mijn afvalgrijper nauwelijks omhoog. Uiteindelijk kreeg ik het hengsel tussen de knijper en verplaatste ik de zak naar de kade. Daar plofte de tas van tien centimeter hoogte met een doffe klap op het asfalt.

Mij schoot direct het verhaal door het hoofd van een buurtgenoot met twee hondjes. Deze Spangenaar van het eerste uur vertelde mij onlangs dat hij ooit een lijk had gevonden op een verlaten spoortracé aan de rand van de wijk. En tja, die dichtgeknoopte tas had exact de vorm van een schedel. Welk ander zwerfafval ken ik met een dergelijk volume en een dergelijk gewicht? Openmaken durfde ik niet, uit angst voor inprenting van een afschuwelijk beeld. Maar mijn eerdere miskleun met het slachtafval bracht mij weer tot kalmte. Ik besloot dat het vast iets anders moest zijn dan een hoofd. Bevangen door achterdocht over mijn eigen gedachten, besloot ik desondanks de tas niet in een container te gooien. Ik deed feitelijks niets. Ik schakelde mijn gedachten uit, liet de tas achter en deed alsof er niets gebeurd was.

Tot ik in bed lag. De twijfel knaagde. Na veel gedraai en gewoel ben ik eruit gegaan en heb ik alsnog de politie gebeld. Met veel omhalen en disclaims deze keer. Omdat de locatie zich niet makkelijk laat uitleggen, trok ik mijn jas aan, lijnde ik mijn verbaasde hond aan en ging ik terug naar de veronderstelde plaats delict. Wederom arriveerden allereerst twee agenten. De politieboot was onderweg. Gewapend met een zaklamp gingen beide heren op onderzoek uit. Eén van hen betastte de tas. Geen hoofd, was al snel de conclusie. De agent maakte de zak open en daar openbaarde zich tot mijn grote opluchting, en tegelijk schaamte, de inhoud. Een pompoen. Ja echt, een pompoen. In een dichtgeknoopte boodschappentas, gedumpt op de keien van de Schie.

Het is misschien wel waar: eigenlijk is alle zwerfafval vreemd. Soms uitzonderlijk vreemd. maar gelukkig zelden luguber.

 

Natuurlijk!

Soms doe je gekke dingen. Mijn moeder bracht mij vorige week een gênant verhaal in herinnering. Zo’n verhaal waarvan je denkt, daar schaam ik me met terugwerkende kracht wel een beetje voor. Alhoewel, de anekdote gaat eigenlijk over een nobele daad van mij als kleuter. Samen met mijn buurjongen besloot ik dat het afgelopen moest zijn met hondendrollen op straat. We pakten een plastic tas uit de gangkast van mijn ouderlijk huis in Culemborg en trokken erop uit. Twee uur later kwamen we thuis met een stinkende zak organisch materiaal. Mijn oma was op bezoek en sprak direct afkeurende woorden. Mijn moeder gaf ons daarentegen een compliment, maar ze adviseerde óók om het opruimen van poep voortaan te laten.

Dingen oprapen van straat is vies, leert ieder kind. Het druist in tegen de mores. Of het nu om organische poep gaat of om schoon plastic. Daar blijf je vanaf. Het is bah, smerig en voer voor de ratten. Tot je ontdekt dat afval óók voer is voor jezelf. Want plastic vergaat nooit. Via rivieren en oceanen komt het via vissen in onze voedselketen terecht. Uit onderzoek is gebleken dat zelfs in potjes honing plastic zit. Hele kleine stukjes, onzichtbaar voor het menselijk oog. En voor de duidelijkheid, dat plastic heeft de imker of de potjesfabriek daar niet zelf ingestopt. Best eng. Nanoplastics zijn zó klein dat die deeltjes je celwanden kunnen doordringen. Het plastic zweeft door ons lichaam en óók door onze hersenen. We weten niet exact wat daarvan de gevolgen zijn, maar gezond klinkt het niet.

Hondenpoep is natuurlijk iets anders. Dat vergaat gewoon. Toch is er een overeenkomst met ander zwerfafval. Een drol is namelijk van géén waarde voor ons. Het is een restproduct, waar niemand nog iets mee wil. Datzelfde geldt voor een mosselschelp die een meeuw laat vallen, nadat de inhoud is verorberd. En voor een leeggedronken blikje, een plastic tasje dat zijn functie heeft gehad of het omhulsel van een opgegeten mueslireep. Het verpakkingsmateriaal lijkt nutteloos nadat de waardevolle inhoud genuttigd is. En nutteloze dingen met je meezeulen of bewaren is niet erg zinvol. Zoals een meeuw een lege mosselschelp dumpt, doen mensen niet anders. Wij zijn net dieren.

Dit brengt mij op een complexe tegenstelling. Het lastige feit doet zich namelijk voor dat we sinds de vorige eeuw massaal dingen zijn gaan produceren die snel hun nut verliezen én schadelijk zijn, zoals plastic verpakkingen. Ons natuurlijke wegwerpgedrag schaadt sindsdien de natuur waarin wij leven en daarmee onszelf. En dat laatste is juist ontzettend tegennatuurlijk! Want alle levende wezens zijn primair gericht op overleven en voortzetting van de soort. Zo zou je het achteloos weggooien van rommel of het stoïcijns voorbijlopen aan zwerfafval heden ten dagen dus kunnen zien als tégennatuurlijk gedrag. Maar ja, de genetische evolutie loopt helaas een beetje achter op het industriële tijdperk. Dus hebben mensen kennis en opvoeding nodig om hun natuurlijk gedrag te updaten en het juiste te doen voor onszelf en het nageslacht. Niet langer wegwerpen die nutteloze boel, maar juist hergebruiken en de natuur kuisen. Maar zeg nou eerlijk, uitgerekend door onze opvoeding komt er een innerlijk conflict om de hoek kijken, gedragen door een zeer sterke emotie: schaamte! Die emotie is voor veel mensen, ook voor welwillende geesten, een grote barrière om natuurlijk gedrag te vertonen en zwerfafval op te rapen. Want het is bah, vies en smerig. Voer voor de ratten. Afblijven!

Geen milieuprobleem is echter zó makkelijk te stoppen als het aanzwellen van de plastic soep. De oplossing ligt letterlijk binnen handbereik. Gewoon even door de knieën zakken. Als één op de vier mensen dagelijks één stukje zwerfafval opraapt, is Nederland schoon en voegen we niets meer toe aan de plastic vuilnisbelt die in de oceanen drijft. Het is treurig en hoopvol tegelijk dat emoties en een paradoxale opvoeding ons weerhouden. Dat kan overwonnen worden. Het eerste stukje raap je gewoon stiekem als niemand kijkt. Spoedig volgt dan het moment dat een toevallige voorbijganger je ‘betrapt’ en aanspreekt. Zo ging dat bij mij. En het licht brak door. In plaats van afkeurende woorden – als kleuter – ontvang ik als volwassene uitsluitend complimenten. Passanten voelen zich vaak aangespoord om óók natuurlijk gedrag te gaan vertonen. Een groeiend aantal rapers is zodoende de schaamte voorbij en wil onderdeel zijn van de oplossing. Dat is mooi én noodzakelijk, want klagen over zwerfafval en ervan wegkijken loont echt absoluut niet. Rapen geeft daarentegen voldoening. Ik moet wél bekennen dat ik nooit meer hondendrollen opruim. Die verteren.